De recessie en fietspompen

Door Ramon Kool

Ramon Kool
H
ij keek me begripvol aan. Het leek alsof hij jaren geleden precies dezelfde situatie had meegemaakt. Het knikken van zijn hoofd straalde vertrouwen uit. Na mijn hele verhaal te hebben aangehoord was er nog een laatste diepe knik, haalde hij zijn hand uit zijn broekzak, wees naar een hoek en zei: "Daaro!".

Aangezien ik in Tilburg woon en in Utrecht werk heb ik te maken met een logistiek intermezzo. Om een gedeelte van die intermezzo dragelijk te maken heb ik een fiets op zowel Tilburg Centraal als Utrecht Centraal staan. Niet dezelfde uiteraard, maar verschillende. En dit is handig. Maar zoals het brakke fietsen in Utrecht regelmatig vergaat is onlangs de ventiel van mijn achterband opengedraaid. Ik zeg opengedraaid, want dat is aanzienlijk spannender dan te melden dat de kans bestaat dat het ventiel vanzelf door wekenlange wrijving open is gedraaid. Vandaar dus dat ik meld dat mijn ventiel open is gedraaid door een of andere vlegel die aan de rand van onze maatschappij leeft en als pure wraakactie tegen diezelfde maatschappij mijn ventiel open heeft gedraaid. Maar goed. Het resultaat van al dat ventieldraaien was het compleet van lucht ontdaan zijn van mijn achterwiel. En voor de kenners onder ons. Dat is moeilijk fietsen. Om het gebrek aan lucht bij te vullen besloot ik naar de dichtstbijzijnde fietswinkel te gaan. Nu is dichtbij in dit geval een understatement, aangezien de afstand nog geen 60 meter bedroeg en is fietswinkel juist weer te veel qua benoeming. Denk aan een grot dat dienst doet als fietsenstalling met een oude meneer als inwoner die oude zestiendehands fietsen verkoopt danwel opknapt, niet altijd in die volgorde. Eenmaal daar aangekomen wilde ik een simpel iets. Mijn achterband oppompen, een niet al te complexe of unieke handeling. Na gevraagd te hebben of voorgenoemde handeling tot het functieprofiel van de winkel behoorde werd ik verwezen naar de fietspomp in de hoek. Deze semi-automatische fietspomp zou mijn achterband weer tot potente staat kunnen brengen. Maar nu komt het. Voor deze handeling moest ik 10 cent "op het plankje leggen". 10 hele centen.

Ik vraag mij af of de recessie al een dusdanig niveau heeft bereikt, dat deze 10 cent deze winkel kan weerhouden van een neerwaartste spiraal in onze economie. Zorgt deze 10 cent voor het salaris van de vriendelijke meneer die mij met raad en daad bijstond (waarbij raad en daad in dit geval samengevat kan worden met het woord "daaro!"). Draagt deze 10 cent bij tot de afbetaling van deze schijnbaar extreem dure fietspomp? Waar is het voor? Opknapkosten van de slang? In welke mate drukt deze 10 cent de kosten? Stel er komen die dag nog 20 andere mensen die hun fietsband op willen pompen. Dan is de totale omzet 2 euro. Dat is tegenwoordig nog geen biertje. Maar dat zijn toch 20 mensen. 20 keer de vraag: "waar kan ik mijn fiestband oppompen?", 20 keer het antwoord: "Daaro!". Het lijkt mij enorm veel moeite voor een biertje. En we weten allemaal dat de zin "één biertje", grammaticaal incorrect is, dus zullen meerdere biertjes volgen, wat weer tot hogere kosten leidt. Al met al het pompen niet waard. Dus ik vraag me af. Waarom die 10 cent? Is het de psychologische grens? Zijn ze bang als ze het pompen gratis zouden maken dat er dan een stortvloed komt van mensen met de wens een, danwel allebei, hun banden op te pompen? Alsof de 10 cent hen er nu van weerhoudt rijen te vormen voor de winkel. Ik vraag het me af. Maar goed, toen ik mijn band eenmaal had opgepompt liep ik naar het plankje. Dat was het moment dat ik er achter kwam dat ik geen munten kleiner dan 20 cent bij me had. Dus voor het eerst van mijn leven gaf ik 100% fooi en voelde ik me de rest van de dag ongelooflijk decadent.