Ze bestaan nog

Door Ramon Kool

Ramon Kool
Z
e keek voor haar uit naar het voorbijrazende landschap. Haar handen tikte op een onbekend ritme op haar been. Ik had ze al lang niet gezien, maar een onmiskenbaar echt exemplaar zat voor me. Ze keek me even aan, om vervolgens met een duidelijk geoefende semi-stoere blik weer terug naar buiten te staren.

Op de vraag of ze nog bestaan kan ik nu een definitief antwoord geven, gestoeld op observaties in de echte wereld, hierna te noemen "Trein". Het gaat hier natuurlijk om het gabbermeisje. De gabberette. De gabberchick. Zij daar. Weet ik voel hoe zo iemand wettelijk aangesproken dient te worden. Maar ze bestaan nog! Sterker nog, ze zit nu tegenover mij. Ik zit ook in eerdergenoemde "Trein". Ik wilde een column schrijven over de trein, maar toen ik mijn laptop uit mijn tas pakte, ging zij zitten. En tja. Dan is het duidelijk. Dat moet je gaan repriotariseren. Kortom, het onderdeel "Trein" speelt eigenlijk een minder grote rol dan oorspronkelijk de bedoeling was, maar goed, gelukkig hebben we volgende week nog voor dat verhaal.

Maar daar zit zij dus, tegenover mij. En ze is er een uit het boekje, precies volgens de regels. Spierwitte Nike Air Maxs' (of wat het meervoud ook is) met neongele accenten, een Cavello jackje (ik wist niet dat het merk nog bestond! Maar blijkbaar wel, of ze heeft een vintage exemplaar op de kop weten te tikken in uitmuntende staat), haar haar hoog in een staart en een tandenstoker in haar mond. Om het geheel nóg completer te maken, heeft ze oordopjes in met Gabber muziek. Hoe ik dit weet? Omdat ze haar iPod wel zó belachelijk hard heeft staan dat ik betwijfel of ze na een uurtje van dit volume haar muziek, of wat dan ook, Überhaupt nog kan horen. En dat brengt gelijk een dilemma met zich mee. We zitten namelijk op de eerste stoelen van het treinstel, zij kijkt direct naar de deur, ik naar de rest van de trein. Ik heb ook een hoofdtelefoon op. Sonny Rollins toetert op mijn iPod een eindje weg. Maar de mensen in de rest van het treinstel zien enkel mij. Zij komt amper boven haar stoelleuning uit, hoewel haar staart wel enorm haar best doet. Maar om de zoveel tijd poppen ineens gezichten tevoorschijnen vanachter de treinstoelen. Die gezichten kijken vervolgens geïrriteerd naar mij. Ze zien mij, ze zien mijn hoofdtelefoon en blijkbaar associëren ze de treinstelvullende Gabbermuziek met mij. Maar mijn Sonny hoor je echt niet hoor, ik heb het getest. Ik heb ook een 'gesloten' hoofdtelefoon zoals dat zo mooi heet. Dat is bewust. Ik hoef de rest van de reizigers niet te horen en zij mij niet. Maar de rest van de reizigers weten dit niet. En dat is jammer.

Om de pak 'm beet 30 seconden gaat haar telefoon. Dit hoor ik ook duidelijk, want haar ringtone is van een zelfde volume en stijl als haar iPod. En elke 30 seconden zucht ze diep en pakt wild haar telefoon op, om er naar te kijken en vervolgens hard weer neer te gooien op het subtiele treintafeltje voor haar. Maar het meest opmerkelijke zijn nog wel haar vingers. Die tikken namelijk op haar been in een soort van ritme. Maar ik alle chaos die haar muziek met zich mee brengt, met alle duizenden beats per seconde, lukt het haar toch om in geen enkele maat te zitten. Toch knap.